KB 17 mei 2007 betreffende de vorming van de preventieadviseur in interne en externe diensten.
Voortaan zijn de opleidingen tot preventieadviseur modulair opgebouwd, het overgangsniveau verdwijnt en valt nu samen met de niveau 1 opleiding, de term "preventieadviseur arbeidsveiligheid" wordt vervangen door "preventieadviseur met mutidisciplinaire specialisatie".
Het koninklijk besluit van 17 mei 2007 (BS van 11 juli 2007) voert een aantal belangrijke wijzigingen door aan de opleiding van de preventieadviseurs van de interne en externe diensten voor preventie en bescherming op het werk. De wijzigingen hebben betrekking op de de toelatingsvoorwaarden, de opbouw, de inhoud en de organisatie van de opleiding.
Spatie
Schematisch overzicht van de modulaire opbouw van de opleidingen tot preventieadviseur:

Spatie
Een toelichting:
Context
De opleiding van zowel interne als externe preventieadviseurs werd tot voor kort beschreven in het KB van 10 augustus 1978 tot vaststelling van de aanvullende vorming, opgelegd aan de diensthoofden voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen en aan hun adjuncten (BS van 3 oktober 1978). Dat KB legde ook voorwaarden op aan de organisatoren van de opleiding. Door de invoering van nieuwe principes uit de wet welzijn op het werk, is dat bijna 30 jaar oude KB achterhaald. Het wordt daarom opgeheven door het KB van 17 mei 2007 betreffende de vorming en de bijscholing van de preventieadviseurs van de interne en externe diensten voor preventie en bescherming op het werk. De bepalingen van het nieuwe KB krijgen bovendien een plaats in de codex welzijn op het werk, nl. in titel II organisatorische structuren, hoofdstuk 6: vorming en bijscholing van de preventieadviseurs.
Preventieadviseurs
Het nieuwe KB Vorming preventieadviseurs borduurt verder op de weg ingeslagen door de wet welzijn en de uitvoeringsbesluiten interne dienst en externe diensten. We frissen de relevante aspecten van die uitvoeringsbesluiten even op in de kader hieronder. In de KB’s Interne dienst en Externe diensten staan de voorwaarden opgesomd voor het uitoefenen van de functie van preventieadviseur (zie tabel in bijlage). Deze voorwaarden blijven ongewijzigd met 1 uitzondering. Het nieuwe KB voert een wijziging door aan artikel 22 van het KB Interne dienst waardoor voor het uitoefenen van de functie van hoofd van een interne dienst preventie en bescherming op het werk in een bedrijf van de A-groep, voortaan ten minste 2 jaar ervaring als preventieadviseur in een interne dienst PBW vereist is.
Kader: Relevante aspecten van het KB Interne dienst en het KB Externe diensten
KB Interne dienst (Koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk, BS 31maart 1998, Codex, titel II, hoofdstuk 1)
* Ondernemingen worden opgedeeld in 4 groepen: A, B, C en D volgens het aantal werknemers dat zij tewerkstellen en volgens de omvang van het risico dat de werknemers er lopen (artikel 3) (om na te gaan tot welke groep uw bedrijf hoort, kan u het pdf-document in bijlage raadplegen).
* Alle preventieadviseurs - zowel voor groep A, B, C als D - moeten een basiskennis van de wetgeving inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk bezitten en moeten de nodige technische en wetenschappelijke kennis hebben (artikels 21 en 22).
* Preventieadviseurs in bedrijven met een verhoogd risico - de zogenaamde bedrijven A en B – moeten een aanvullende vorming van niveau 1 of 2 volgen (artikel 22).
KB Externe diensten (Koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk, BS 31 maart 1998, Codex, titel II, hoofdstuk 1)
* De externe diensten bestaan uit twee afdelingen: een multidisciplinaire afdeling ‘risicobeheersing’ en een afdeling ‘medisch toezicht’ (artikel 19).
* De afdeling ‘risicobeheersing’ moet samengesteld zijn uit experts uit de disciplines ‘arbeidsveiligheid’, ‘arbeidsgeneeskunde’, ‘ergonomie’, ‘industriële hygiëne’ en ‘psychosociale aspecten van de arbeid’. Die experts moeten een aanvullende vorming gevolgd hebben (artikel 21).
* De preventieadviseurs-ergonomen, de specialisten in industriële hygiëne en zij die gespecialiseerd zijn in de psychosociale aspecten van de arbeid moeten een specifiek diploma bezitten, een multidisciplinaire module volgen van 120 uur, een specialisatiecursus van 280 uur en bovendien 5 jaar ervaring aantonen (artikel 22).
* De preventieadviseurs van een externe dienst, die bevoegd zijn voor de arbeidsveiligheid in bedrijven met een verhoogd risico (A en B), moeten een aanvullende vorming van niveau 1 volgen (artikel 22).
Toelatingsvoorwaarden
Het nieuwe KB bevat de toelatingsvoorwaarden voor de niveau 1- en niveau 2-opleidingen. Ten opzichte van vroeger worden de toelatingsvoorwaarden voor de niveau 1-opleiding versoepeld. Wie het niveau 1 wil aanvatten, moet een bachelordiploma van universitair of gelijkgesteld niveau bezitten. Vroeger werd een master vereist. Voor iemand die als preventieadviseur in een externe dienst aan de slag wil, is een ingenieursdiploma vereist.
De toelatingsvoorwaarden voor niveau 2 zijn daarentegen wat strenger. Wie het niveau 2 wil behalen, moet nu houder zijn van een getuigschrift van hoger secundair onderwijs of hogere secundaire leergangen. Vroeger volstond ‘3 jaar nuttige ervaring’.
Een upgrade van niveau 2 naar niveau 1 is niet meer mogelijk via het overgangsniveau. Wie van niveau 2 naar 1 wil, kan de specialisatie niveau 1 volgen maar moet 5 jaar ervaring als preventieadviseur kunnen voorleggen. Dit moet geattesteerd worden door de Algemene Directie Toezicht Welzijn op het werk (AD TTW). Voor de preventieadviseur niveau 2 die werkzaam is in een bedrijf dat overgaat van groep C of B naar groep A, geldt het voorleggen van de praktische ervaring niet. Deze preventieadviseur moet immers binnen de 4 jaar na overgang het niveau 1 behalen.
Nog niet voor meteen?
De bepalingen van afdeling II –dat zijn de bepalingen die handelen over de aanvullende vorming- van het nieuwe KB worden pas van kracht vanaf het moment dat de huidig lopende erkenningen van inrichters vervallen. Alle lessenreeksen die lopende zijn of nog starten binnen de huidige erkenningen volgen nog de vorige wetgeving. Vermits de meerderheid van de erkenningen toegekend is tot juni 2008 zal dat in de praktijk dus vanaf volgend academiejaar (2008-2009) zijn. Voor nieuwe organisatoren die nu een erkenning aanvragen, moet het nieuwe KB al toegepast worden. De organisatoren die een erkenning bezitten die afgeleverd is op basis van het KB van 10 augustus 1978 en die geldig is tot 30 juni 2008, moeten een verlenging van hun erkenning aanvragen volgens de procedure van het nieuwe KB. Volgens artikel 15, tweede lid van dat KB moet deze verlenging aangevraagd worden ten minste zes maanden voor een nieuwe cyclus van cursussen start.
Alle andere bepalingen echter (o.a. basiskennis, bijscholing) treden in voege vanaf het moment van publicatie van het KB, dus 11 juli 200
Modulaire opbouw
De opleidingen zijn voortaan modulair opgebouwd en omvatten een multidisciplinaire basismodule en een specialisatiemodule. Op die manier verwerven alle toekomstige preventieadviseurs eerst, bij voorkeur gezamenlijk en dus multidisciplinair, de noodzakelijke basiskennis om een preventiebeleid uit te bouwen. Deze module omvat 120u of ongeveer 1 lesdag per week gedurende 6 maanden.
Nadien kan men zich specialiseren in de “multidisciplinaire specialisatie van het eerste of tweede niveau” of een specialisatieopleiding aanvatten in de ergonomie, psychosociale aspecten of industriële hygiëne (artikel 22 van het KB van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk, BS 31 maart 1998, Codex, titel II, hoofdstuk 1).
Een specialisatieopleiding verdiept en verbreedt de thema’s aangehaald in de multidisciplinaire basisvorming. De specialisaties van het eerste niveau omvatten 280u of ongeveer 1 lesdag per week gedurende één à anderhalf jaar. De specialisatie van niveau 2 omvat 90u of een wekelijkse opleidingsdag over 5 maanden.
Het bovenstaand schema biedt verduidelijking.
De opleidingsmodules hebben als doel de preventieadviseurs van de noodzakelijke kennis en vaardigheden te voorzien. In de multidisciplinaire basisvorming ligt de nadruk op een globale, coherente, interdisciplinaire en wetenschappelijke aanpak van risico’s. Het belang van communicatie en coaching wordt naar voor geschoven. Hier worden de basiskennis en -principes voorgesteld, alsook een eerste introductie gegeven over de welzijnsdomeinen.
De specialisatie-opleidingen verdiepen zich in de aanpak van de meer specifieke risico’s aanwezig in de A en B bedrijven. Het domein van de ‘arbeidsveiligheid’ krijgt extra aandacht. Het beheer van een welzijnsbeleid met o.a. de uitbouw van het comité voor preventie en bescherming op het werk komt uitdrukkelijk aan bod. De niveau 1-opleiding onderscheidt zich door meer verdieping en voornamelijk door de integratie van het welzijnsbeleid in managementsystemen te behandelen.
Eindevaluatie
De eindevaluatie omvat enerzijds het testen van kennis en inzicht van de leerstof en anderzijds de verdediging van een eindwerk waarmee de cursist aantoont de opgedane kennis en vaardigheden in de praktijk te kunnen toepassen. Dit gebeurt voor een multidisciplinaire jury. Vrijstellingen worden toegestaan voor vakken waarover al een proef werd afgelegd in het kader van een vorming op universitair niveau.
Inrichters en erkenning van vorming
Inrichters van opleidingen moeten een aanvraag tot erkenning indienen bij de Algemene Directie Humanisering van de Arbeid (AD HUA) bij de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg. De Minister beslist of de erkenning wordt verleend. Een erkenning geldt maximum voor 5 jaar. Elke inrichter moet een stuurgroep samenstellen bestaande uit vertegenwoordigers van werkgevers, werknemers, preventieadviseurs, cursisten, andere inrichter, enz die minstens jaarlijks aanbevelingen formuleert. Van elke opleiding die afgerond is, moet een verslag aan de AD HUA overgemaakt worden. Opleidingen van het eerste niveau moeten universitair omkaderd zijn.
Basiskennis van de preventieadviseur van de interne dienst
Het KB van 27 maart 1998 betreffende de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk (BS van 31 maart 1998, Codex titel II, hoofdstuk 1) omschrijft in artikel 21 de basiskennis die een preventieadviseur van een interne dienst moet bezitten (zie kader). Het nieuwe KB stelt dat preventieadviseurs die een basiscursus gevolgd hebben van minstens 40 uren, voldaan hebben aan de vereiste van artikel 21. Deze basiscursus moet in een erkende instelling gevolgd worden.
Kader: Basiskennis die een preventieadviseur van een interne dienst moet bezitten
De preventieadviseurs bezitten een voldoende kennis van de wetgeving inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk van toepassing in de onderneming of instelling waarin zij hun opdracht vervullen, en hebben de nodige technische en weten-schappelijke kennis. Deze kennis heeft inzonderheid betrekking op:
1° de technieken in verband met risicoanalyse;
2° de coördinatie van preventieactiviteiten:
- in de interne dienst;
- tussen de interne en externe dienst;
- met de werkgevers en werknemers van ondernemingen van buitenaf die in de eigen
onderneming werkzaamheden uitvoeren;
3° de maatregelen in verband met de hygiëne op de arbeidsplaatsen;
4° de organisatie van de eerste hulp en dringende verzorging van slachtoffers van een ongeval of een plotse ziekte en de maatregelen te nemen in geval van een ernstig en onmiddellijk gevaar;
5° de opdrachten van de preventieadviseurs bedoeld in het koninklijk besluit van 3 mei 1999 betreffende de opdrachten en de werking van de comités voor preventie en bescherming op het werk;
6° de verslaggeving.
Bron: artikel 21 van het KB Interne dienst
Bijscholing voor preventieadviseurs
Het KB Interne dienst stelt in artikel 23 dat interne preventieadviseurs het recht en de plicht hebben zich te vervolmaken. Zowel tijd als onkosten worden vergoed door de werkgever. Het nieuwe KB stelt dat er jaarlijks een bijscholing georganiseerd moet worden die de nieuwe bepalingen inzake welzijnswetgeving en wetenschappelijke evoluties op het terrein benadert.